Paardrijden Mongolië

Geschreven in 2012, Klik hier voor deel 1

We waren gebleven bij de familie met de aangename geur. Ondanks de alles overheersende stank was het dit verblijf dat voor de omwenteling zorgde van het vreselijk vinden naar de tijd van je leven hebben. We kwamen hier rond 17:00 aan, en zijn de volgende ochtend rond 10:00 weer weg gegaan. In de tussentijd heb ik vooral veel geobserveerd en vragen gesteld aan Mendee over het leven van een traditionele familie in de country side.

(Wie geen zin heeft in een beginnersles “Country side of Mongolia” kan de volgende 3 alinea’s overslaan) De man-vrouw taakverdeling hopeloos ouderwets. Vrouwen zorgen voor de kinderen en het huishouden, de mannen zijn de hele dag buiten in de weer met hun vee. De tientallen paarden en schapen lopen los rond, niet in een weiland met hek. Dus elke nacht gaan al die dieren vrolijk de hort op, en de volgende dag is het de taak aan de man om de hele kudde weer terug naar huis te krijgen. Klinkt heel onpraktisch, is het ook. Ondertussen is de vrouw de hele dag in en om de ger in de weer. Mijn iet wat feministische kant moest ik hier enorm onderdrukken, want de man zal het wel uit z’n hoofd laten om ook maar 1 vinger uit te steken in het huishouden. Bovendien, als er iets gegeten of gedronken wordt, en de man krijgt dat niet als eerste aangeboden, kun je er de donder op zeggen dat er stront aan de knikker is. Zoals Mendee zei, “Mongolian men often feel like kings.”

“Mongolen hebben werkelijk voor alles wel een regeltje, gebruik, traditie of geloof.”

Dan, Mongolen hebben werkelijk voor alles wel een regeltje, gebruik, traditie of geloof. Er zijn tig soorten beesten in de country side, waaronder een soort rat zonder staart. Als zo’n beest door de ger heen wandelt is dat niet een teken van smerigheid, maar een teken van voorspoed. De familie zal dan namelijk grote koeien krijgen. Of als een kind struikelt over de drempel bij binnenkomst, dan zal de familie iets kleins vinden. Struikelt een volwassenen, dan zal er iets groots gevonden worden. Je moet het maar bedenken. Struikelen was iets dat vooral ik deed als ik me de ger probeerde in te wurmen. Mongolen zijn klein. Zelfs Chinezen zijn reuzen in vergelijking met Mongolen. De gemiddelde man meet 167 centimer, en ik was met mijn 177 dan ook een ware attractie. ‘The giant woman’, zoals familie 2 (waarover later meer) me liefkozend (hoop ik) noemde.

Wat ik ook raar vond is dat de Mongolen hun dieren (meestal) geen naam geven. Nu heb ik de vrij hysterische eigenschap om alles wat ik heb – van tassen tot laptops en van zonnebrillen tot fietsen- namen te geven, maar de Mongolen kiezen weer een heel ander uiterste. Iedereen heeft een hond, maar die doet simpelweg dienst als guard en behoeft verder geen naam. De paarden hebben ook geen naam, maar worden genoemd naar hun kleur. En dat gaat wat verder dan ons bruin-vos-schimmel-bont, Mongolen onderscheiden 200 verschillende soorten kleuren. Mijn paard heette ‘Haltar or boz kheer’, wat zoveel betekent als ‘zwart met bruin en nog een beetje bruin’. Maar dat bekt natuurlijk niet dus mijn paard was vanaf dag 1 Teun. Ik weet niet waarom en het alltitereert ook niet, maar Teun dus. Het aller aller vreemdst was echter het volgende. Paarden zijn hier ontzettend belangrijk, en niet alleen om praktische redenen. Ze gebruiken ze namelijk ook om mee te racen, en met die races kunnen grote prijzen gewonnen worden. Niet alleen prijzen, maar ook eer respect en aanzien. De races worden gereden door kleine kinderen, want die wegen het minst. Dat luistert heel nauw, iets te jong en het kind kan nog niet rijden, en iets te groot en het kind is te zwaar en dan wordt er niet gewonnen. Het belang van winnen is voor ons bijna niet te begrijpen, maar neem van mij en ik neem van Mendee aan dat het heel heel belangrijk is. Maar nu komt het. Want we zijn dus in Mongolie, het land van de ontelbare tradities, waar het boeddhisme de grootste godsdienst is, alles gaat om gastvrijheid, openheid, tradities, eer en familie. Ja voel je de sfeer? Goed. Daags voor zo’n race, worden de paarden doodleuk ingespoten met doping. I kid you not. Ik stond er bij en keek er naar, hoe zonder blikken of blozen hop een halve liter oppeppend middel in zo’n dier werd gespoten. Nu vraag ik je! “Heel normaal”, zei Mendee, “dat doet iedereen. En maak je geen zorgen, het is niet zo heel sterk. Of naja, niet zo sterk dat de paarden er last van hebben. Ze worden alleen wat, tja, allerter. En sneller ja, dat ook.”

“Mijn paard heette ‘Haltar or boz kheer’, wat zoveel betekent als ‘zwart met bruin en nog een beetje bruin”

De volgende ochtend hebben we deze familie dus verlaten, en zijn we weer te paard gegaan. Dat paardrijden is trouwens een behoorlijke aanslag op je lijf. Ik heb m’n hele leven paardgereden en weet prima van de hoed en de rand, maar per dag zo’n 6 tot 8 uur op een paard zitten is linksom of rechtsom ronduit zwaar. Na een paar uur kwamen we in de buurt van een plaatselijk winkeltje, en hier zou onze horseman ingewisseld worden voor de nieuwe horseman. Dat winkeltje was niet meer dan een ger, met daarin een dikke oude vrouw die zuchtend steunend en kreunend een in een dikke stoflaag gehulde koffer onder haar bed vandaan sleepte waar wat koekjes en sigaretten in zaten. Ik kocht van beide wat en verstopte de aangeboden melkkoekjes in m’n schoen.

En toen, de horseman. De eerste horseman was een licht autistisch geval die hele rit geen woord gesproken had. Ook niet met Mendee, ook niet met de familie waar we verbleven. De nieuwe horseman daarentegen, genaamd Hatta, is zo’n man waarmee ik mezef direct in een aflevering van Grenzeloos Verliefd kon voorstellen. Groot, sterk, ontzettend mannig, met zo’n prachtig gewaad en oh het was een sprookje. Hij sprak geen woord Engels, en dat maakt het alleen maar beter materiaal om uitgekozen te worden voor Grenzeloos Verliefd. (Los van praktische bezwaren is Hatta gewoon getrouwd en heeft 3 kinderen, maar kijk je zit uren in je eentje op zo’n paard om je heen te staren en een mens moet een beetje kunnen fantaseren.) Niet alleen was Hatta reuze knap (of naja, soort van knap), hij was ook nog eens reuze gezellig. Hij kwebbelde honderduit met Mendee, die vervolgens alles weer vertaalde voor mij en zo hadden we zowaar gesprekken en grapjes.

Na nog 2 redelijk droge nachten in de tent is de voorlaatste nacht aangebroken, en die hebben we weer bij een familie doorgebracht. Ik noem ze de floddertjes, want mensen kinderen wat was die ger smerig. Vader en moeder waren van huis, en opa en oma pastten op de 5 kinderen die dus allemaal op tafel dansten. Maar ze waren zo aardig, grappig, en gezellig. Opa begreep dat ik die paardenmelk niet lekker vond, en was er zelfs van overtuigd dat als ik het wel zou drinken ik direct dood zou gaan omdat mijn maag dat helemaal niet aan kan. De schat.
De avond bracht ik door met Hatta, een bal, en een stuk hout. Hout is overal ter wereld een tennisracket en al snel deed de hele familie mee en hadden we een heuze tenniswedstrijd, die ik -natuurlijk- jammerlijk verloor. De nacht weer gezellig op de grond doorgebracht, de volgende ochtend een veel te leuke groepsfoto gemaakt, en toen weer de paarden op, op naar de laatste stop: Harhorin.

“De nieuwe horseman daarentegen, genaamd Hatta, is zo’n man waarmee ik mezef direct in een aflevering van Grenzeloos Verliefd kon voorstellen.”

De laatste uren op het paard waren zoals altijd heerlijk. En was dit eerst het moment waar ik vreselijk naar uitkeek, nu vond ik het eigenlijk maar wat jammer dat de trek er alweer op zat. De laatste nacht zouden we doorbrengen in een guesthouse, en toen we daar aankwamen ging er zoveel door me heen. Zonder al te dramatisch te willen doen, maar het voelde echt als een overwinning. Dikwijls had ik die eerste paar dagen overwogen om de stekker eruit te trekken. Nee nee ik was niet suicidaal, ik bedoel uit de trek. Om te zeggen dat het voor mij allemaal niet zo hoefde en dat we wat mij betreft de boel konden afblazen. Maar ik wist dat als ik dat zou doen ik mezelf nooit meer in de spiegel kon aankijken, en daarnaast zou ik dan voor altijd een negatief gevoel houden over Mongolie. Maar het belangrijkst is nog wel dat ik dan niet de fantastische ervaring zou hebben gehad die ik nu wel heb meegemaakt. Kon een mens maar in de toekomst kijken. Kon ik maar weten dat de laatste zinnen die ik in mijn reisdagboek zou schrijven de volgende zijn:

Ik ben in het guesthouse waar we de laatste nacht zullen doorbrengen. M’n hele lijf doet pijn – benen billen armen rug en nek, alles is stijf en verkrampt. M’n handen en oren zijn gruwelijk verbrand en de vellen hangen er nog net niet aan. Ik heb al 9 dagen niet onder een douche gestaan, op mijn gezicht zitten meer pukkels dan er geiten in Mongolie zijn, m’n haar is zo vet dat je er friet in kunt bakken en ik heb wallen die die van Wim Kok doen verbleken. Maar ik zit nu op een bankje in de avondzon, met een ijskoud biertje, na 4 fantastische dagen, en ben nog nooit zo gelukkig geweest als nu.

De afgelopen dagen heb ik zo veel geleerd. Niet alleen over Mongolie, maar ook over mezelf (he gedver toch die dramatiek). Ik ben niet alleen ontzettend blij dat ik deze trek heb (af)gemaakt, ik ben ook en vooral heel blij dat ik het alleen heb gedaan. Dit was en is echt mijn avontuur. Met mijn verdriet en mijn plezier. De wereld is zo groot raar en fascinerend, ik wil alles zien horen voelen ruiken proeven – en als het heel vies is stop ik het gewoon in m’n schoen.

Inmiddels ben ik weer een paar dagen in Ulaanbaator, waar de afgelopen dagen het Naadam Festival heeft plaatsgevonden. Morgenavond laat vlieg ik terug naar Beijing om aan deel 2 van de reis te beginnen: met de trein/bus/boot naar Hong Kong. Het voelt alsof ik al jaren van huis ben, terwijl ik pas 2 weken de grens over ben. En ik mag nog anderhalve maand! Er gaat nog zoveel gebeuren en ik heb er zo ontzettend veel zin in. Ik verkeer in een soort constante roes van geluk en geen Chineze gefrituurde hond of cavia met zoet-zure saus die daar verandering in gaat brengen. Kom maar op, China, ik heb schoenmaat 41 dus ruimte zat.

Klik hier voor deel 1