Elke keer als ik een vliegtuig instap verrek ik bijna m’n nek door het spieken naar de linkerkant. Naar de business class, dus. Net als alle dingen in het leven die de gewone sterveling niet kan betalen heeft ook de business class een haast mythische aantrekkingskracht. Terwijl jij naar binnen stiefelt en je klaar maakt voor een gevecht om de armleuning, zitten die lucky bastards al prinsheerlijk met hun beentjes gestrekt een glaasje champagne te drinken.

Voor elke vlucht die ik maak vraag ik bij de incheckbalie met mijn grootste glimlach of er ‘toevallig’ nog een plekje over is voorin, en of het antwoord is negatief, of er is inderdaad een plekje vrij, maar daar moet ik dan wel even €700,- of meer voor bijbetalen. Bij de gate probeer ik het nog eens (“mocht er een plekje over zijn voorin, nou dat zou ik zó leuk vinden…”) maar het is me nog nooit gelukt om zomaar een upgrade te krijgen. Je leest wel eens van die verhalen van mensen bij wie het wel altijd lukt, maar daar snap ik maar weinig van. Hoe dan ook, ik heb in mijn hele leven twee keer business class gevlogen, en die twee keer hebben me voor altijd verpest – eigenlijk wil ik nu nooit meer anders.

“Ik heb in mijn hele leven twee keer business class gevlogen, en die twee keer hebben me voor altijd verpest.”

De eerste keer was met KLM, zijn ze weer hoor. Ik was een week in Peru geweest voor een persreis, en mijn collega-journalist had zichzelf getrakteerd op een upgrade voor de terugvlucht. We vlogen samen terug, dus bij het inchecken vroeg hij of ik, zijn armzalige collega die Economy vloog, dan wel mee mocht in de lounge. Nou dat mocht, goddank, en alleen dat was al een enorm feest. Aangekomen bij de gate vroeg de collega het nog eens, “ja hallo ik vlieg business maar mijn collega niet, zouden jullie haar misschien willen laten weten als er een plekje vrij is?” De alleraardigste mevrouw gaf me een vette knipoog en vroeg op welke stoel ik zat, en zei dat ik vast moest gaan zitten. Ze wist me wel te vinden. Vijf minuten later stond ze bij mijn rijtje, of ik ‘even mee naar voren wilde lopen, en neem uw bagage maar mee.’ En ja hoor, ik mocht in de business. Met champagne, écht lekker eten op écht servies met écht zilverwaar. Een stoel die helemaal plat ging, een dekentje, een kussentje, nóg betere service dan je toch al krijgt bij KLM, en eenmaal thuis haast geen spatje jetlag. Het was een droom.

De tweede keer business class was vorig jaar met Jet Airways. Op uitnodiging van Jet Airways ging ik samen met een paar bloggers een kleine week naar India, en de heenvlucht mochten we dus maar mooi in de business class. Weer zo’n grote stoel, weer een dekentje, extreem aardige bemanning, en als je een film gaat kijken krijg je een klein bakje popcorn erbij, zó leuk. Het is echt zo’n ontzettend feest en cadeau om zo goed verzorgd te worden, het is dat ik het echt never zelf kan betalen maar van deze twee keer voorin weet ik dat, als je de poen hebt, het je geld helemaal waard is.

Zowel de vlucht Lima-Amsterdam als Amsterdam-Mumbai kon me niet lang genoeg duren, en ik was bij allebei zó teleurgesteld dat het voorbij was. Je wil echt voor altijd in dat heerlijke huisje blijven zitten. En vooral wil je nooit meer economy vliegen, dat is echt het grote nadeel van de business class. Nu ben ik gelukkig zo’n sukkel die vliegen onder elke omstandigheid een feestje vind, maar toch, als ik ooit geld als water heb (WANNEER gaat dat nou eens gebeuren trouwens?!) vlieg ik alleen nog maar business. Een mens mag dromen niet waar. En tot het zover is zit ik met net zoveel plezier in Economy, en blijf ik het proberen bij de balie en de gate. Ooit moet het toch een keer lukken zou je zeggen? Fingers crossed, fingers crossed.